ZWOLLE – Johann Sebastian Bach is springlevend. Althans wel voor organist Toon Hagen van de Grote of Sint-Michaëlkerk in Zwolle. Op 24 mei speelt Hagen werk van de meester die hij met elke uitvoering iets beter denkt te begrijpen. Dat zal nog niet meevallen met een genie? Toch?
Hagen: “Bach is inderdaad een hele uitdaging om te spelen en alles behalve makkelijk. Van de andere kant: Hij helpt je wel. De noten zijn altijd goed, hij geeft de beste informatie. Dat krijg je met een van de beste componisten ooit.Natuurlijk breng je het als organist op jouw eigen manier. Je hebt immers alleen jezelf. De kunst is alleen om zo dicht mogelijk bij Bach in de buurt te komen en recht te doen aan het werk dat je speelt.”
Op zoek naar Bach kom je echter wel valkuilen tegen, weet Hagen. “Bach is over de hele wereld zo vaak gespeeld dat je het risico zou kunnen lopen een imitator te worden van een andere Bach-vertolker. Daar moet je voor waken, want daar wordt het niet bepaald beter van. Het werk van Bach moet je actualiseren door je de vraag te stellen: ‘Wat heeft Bach hier nu precies op papier gezet en hoe wil dit stuk worden gespeeld?’”
Bach droomde verder
Hagen stelt die vraag zich vaak als hij achter het uit 1721 stammende barokke Schnitgerorgel in de Grote Kerk zit. De plek die hem inspireert als de oude hallenkerk is verlaten en hij in stilte kan oefenen, maar zeker ook als die is gevuld met een toegewijd publiek . Op de vraag of Bach met het Schnitgerorgel uit de voeten had gekund, antwoordt Hagen: “Ik ben er van overtuigd dat Bach van dit orgel heel blij was geworden. Het is een hoogtepunt van orgelbouw uit de barok. Als je hier geen goed concert op kunt geven, doe je echt iets verkeerd. Geen smoesjes dus. Wel is het zo dat er orgels uit die tijd zijn met net iets grotere klavieromvang. Met twee stukken die ik speel, raak je aan de grens. Dat zijn linke stukken. Het beste Bachorgel is er denk ik eentje van een paar jaar na zijn dood. Een componist droomt nu eenmaal altijd verder.”
Hagen begint met de prelude fuga in a en eindigt met de grote Toccata in f en speelt er de fuga achteraan. Dat laatste gebeurt niet veel volgens Hagen. “Ik snap ook wel waarom. De fuga heeft niet dat extatische van de toccata en vraagt tegelijkertijd misschien wel meer van je muzikaliteit.” De organist kan er zelfs best een beetje nerveus van worden bekent hij. Het werk van Bach – de componist die volgens Hagen als geen ander balanceert tussen een groot gevoel en veel verstand – goed brengen, blijft altijd een uitdaging. “Wat moeten we zonder hem? Als Bach er niet was geweest had het er voor ons organisten heel somber uitgezien. Ik zie althans niet hoe we dat gat hadden moeten dichten.”


Jaap | woensdag 18 mei 2016 16:08